Reality (not the David Bowie album)

A short piece in English this time: it started  when I saw this new 3 dimensional virtual reality painter tool at work on  YouTube- it then became a rant of mine in the comment sections, but later I thought: “Well no one is gonna read that, or just say silly things in response, you might as well hurl it into blogpace and see if you hit a thinking comet”.
Excuse any mistakes/ faults in English, feel free to comment.

Here’s the video.

(Sigh)

It’s fantastic. Mindblowing. And it’s depressing at the same time.
Yes, it’s a great invention for designers, painters and maybe even surgeons and doctors.

But there’s a but. My but.

I guess within my lifespan (if I’ve got another couple of years ..well; Google probably knows this already -data analysis, you know)… anyway, within a couple of years almost everything in the western world, -at least all the things we cherish- will be VIRTUAL if they aren’t already: Art, Love, Friendship, Dogs, Food, Death, Parents, Live-music, Popstars, Soccer, God (o no, He is/was virtual already) and Nietzsche (alive before you’re very eyes in 3 D soon).
And all the rest: cars, driving, bikes, money (virtual already), holidays, bungy jumps, drugs… in ten years time you can all ‘experience’ it all with a pair of goggles on. Probably without, if science gets its hands on the right brainbutton.

It will get extremely difficult to get any ‘real’ experience -people won’t have to. That walk on the beach? Just a silly waste of time, really -and you have to bring a sweater, how annoying. Choose the beach you want lie on, pick a sunset, set temp., order your virtual cuba libre, don’t forget your virtual lover and paradise is within reach. Even pain may become virtual. And heartbreak, disease and loneliness.

photo-manipulation-wallpaper-beach-design-world-sky-virtual-nature-landscape-nomal-art-109190

There will be a few old Realo’s as I’d like to call them; Real-reality-guerilla fighters, left in the hills, living in caves and treehuts, cooking real food and having real sex sometimes, trying to get the message across that another form of reality does, in fact, still exist. Outside!

But no one will hear them or get their message. Untill the Realo’s break and enter the homes of the virtuals, rip off the goggles and show them what’s happening outside and …on the other side of the world in those silly poor areas: where work, love, pain, death, art and yes- that walk on the beach, are still real. Still actually mean something.

The virtual-fans will conclude reality is ‘boring’ and go back inside. The complete ‘gamification/gamifixation’ of the western world is just around the corner, if you ask me. It’s Robocop all over again, I saw it in my deja-vu-chrystal ball. Pretty soon robots will be doing the killing in some faraway country while you sit at home having your virtual coffee break watching the virtual news about virtual people. After that: virtual sex with a kangaroo (only allowed in Sweden).

Guy_Debord

That ‘spectacle society’ that good old Guy Debord was talking about and critizing?
It wasn’t far off when he wrote his book The Society of the Spectacle (1967), but this, I’m sure, is the start of the final stage of it , coming into superdeluxe ‘virtual’ reality soon in a living room near you-if you ask me, on a dreary Monday night A.D. 2016.

Now I’ll go and have a  glass of real whiskey and listen to some real music on a real stereo. Maybe even play some music myself. On a wooden guitar. How old fashioned.
Come to think of it: I’m not really here either, this is just a virtual message on a mother$8&^#@ing WordPress-blog.
I’m getting halfway unreal myself already.

High time we went. So sorry. Nono, don’t mind me, you just carry on with that goggle-google painting thing of yours. It’s gonna be a great, you’re gonna have so much fun.

It’s gonna look so…REAL.

 

Van de doden niets dan te geks

princepasfoto

Eén keer. Eén keer heb ik Prince live gezien. En dat was genoeg om te constateren dat hij een van de aller-, aller-, allergrootsten was. Ik hoefde nooit meer een show van hem te zien. Niet alleen omdat ik bang was dat hij de afterparty die hij in 1995 in Paradiso gaf nooit meer zou overtreffen, maar ook omdat ik als ik hem vaker zou zien alle moed om zelf ook maar één noot te zingen of te spelen definitief verloren zou hebben. Zoals die man zong, gitaar speelde, danste en jamde…daar heeft zelfs meneer Boots geen woorden voor. Prince was zoals dat zo mooi heet ‘van een andere planeet’. Nee, echt: ik geloof niet dat hij hier op aarde geboren is.
Eerder is hij is als een soort omgekeerde Major Tom naar onze planeet gezeild. Gitaarspelen, zingen en componeren: hij heeft het allemaal nooit hoeven leren -dat zat in hem. Superheld. Niet normaal. Als je me niet gelooft heb ik hieronder een mooie video voor je. Prince speelt mee voor de Rock N Roll Hall Of Fame met een allstarband waarin onder andere Jeff Lynne, Tom Petty, Steve Winhood (niet de minsten). Ook aanwezig is de zoon van George Harrison, Dhani. Dhani is als een kind zo blij dat hij met Prince op een podium mag staan, kijk maar hoe hij staat te grijnzen naar de coulissen waar Prince wacht op zijn moment.
Tot onze held op het podium verschijnt worden we vergast op een aardige middenklasser uitvoering van het aloude While My Guitar Gently Weeps, maar dan verschijnt (op 3.20 ongeveer) HIJ, in fantastische outfit, met zijn vertrouwde Telecaster. Dhani Harrison plast bijna in zijn broek van geluk. Wat er daarna gebeurt is adembenemend. Prince steelt de show, maar blijft letten op wat zijn collega’s doen en speelt ze (net niet) weg. Op het eind heeft hij nog een tovertrucje in huis waar je alleen maar heel hard om kan lachen. Geniet ervan.
Geniet ervan voordat er allemaal deskundologen komen vertellen dat Prince eigenlijk een gekke seksdrugsgebruiker was met een minderwaardigheidscomplex van hier tot Paisley Park, en een gestoorde veganistische Jehova-getuige bovendien. Als alle Jehova getuigen muziek zouden maken als Prince zou de wereldvrede volgens mij een stuk dichterbij zijn. En zelf ben ik niet gelovig, maar voor De Kleine Prins maak ik graag een uitzondering: God Bless Him.

Polaroids van Joost

700112

1.1986

Joost  woont op een kleine etage in Amsterdam Oost en ik ga hem opzoeken -iets met kopij voor het literaire tijdschriftje waar ik aan meewerk. Joost is ons allemaal mijlenver vooruit. Hij heeft immers al een roman gepubliceerd (De Houdgreep, 1986), en dat is iets waar de meesten van ons alleen maar van kunnen (en de meeste gevallen van zullen blijven) dromen. Dus kijk ik -terwijl hij jonger is- al flink tegen hem op. Er wordt in die dagen ook veel op Joost gemopperd -dat het allemaal gebakken lucht is wat hij schrijft enzo- maar ik zie al snel in dat kinnesinne een sleutelbegrip is in de schone kunsten.
Ik bel aan. Een raam schuift open. Joost kijkt me van boven aan, hij zweeft al boven de stad. Hij heeft het druk! roept hij me toe, met een uitroepteken. Vanuit het geopende raam gooit hij de envelop met gedichten naar beneden.
Het begeleidende briefje laat een mooi hanerig handschrift zien.

2. 1988
Café Schiller, Amsterdam. Voor mijn gevoel is iedereen er elke avond -maar dat zal niet kloppen. Aan de bar zie ik in ieder geval regelmatig: Hans Kloos, Han Schoonhoven, Martin Bril, Dirk van Weelden, Frank Westerman, Ad Fransen, André Klukhuhn, Jan Kostwinder,  K. Michel, Howard Krol c.q. Arthur Lava, Joost Zwagerman en soms -heel soms- Rogi Wieg. We roken allemaal, binnen -dat mag dan nog. Aan het eind van de avond gaat het bier vaak over in sterke drank (de ‘jonge met ijs’ is populair) en soms verplaatsen we onze zuipgesprekken als de Schiller dichtgaat naar nachtcafé De Favoriet een paar honderd meter verderop.
Vrouwen zijn bijzaak. Alleen maar jonge ambitieuze mannen vol storm en drang, manifesten en ego.
Ik sta met Joost te praten. We hebben echt een heel goed gesprek waarin Joost hoog en enthousiast van de toren blaast. Tot hij op de literaire apenrots achter mijn schouder iemand anders spot. Iemand die belangrijker is dan ik.
Meteen verexcuseert hij zich (snel, glimlachend, kordaat) en beent met schuimend glas bier in de hand in de richting van de belangrijkere persoon en na een joviaal en hartelijk ‘Hee hallo, hoe is het met jou?’ begint hij een volgend goed gesprek.

3. ergens in 1989
Joost aan de telefoon. Zijn nieuwe roman komt uit. Gimmick! Het wordt een knaller. En voor de presentatie gaat hij natuurlijk niet zo’n duffe borrel geven in een suf grachtenpand van de uitgever. Nee, dat moet met veel rock-‘n-roll gepaard gaan. Dus: Paradiso.
‘En jij moet optreden, met je band natuurlijk.’ Ik ben gevleid. Dus sta ik die avond met mijn eerste bandje als zanger in een rare korte broek iets te doen dat op popmuziek lijkt. Na afloop spreekt Henny Vrienten me aan en zegt dat het leuk was. De Haagse Post maakt een foto van me (en van Henny) voor hun roddelrubriek. Henny draait zich weg van de fotograaf, maar ik poseer graag.

4. 1989-2008
Sporadische ontmoetingen. Ik zie Joost in de stad fietsen, op een festival, in een café, bij een borrel. Altijd vanuit de verte. We wuiven.
‘Alles goed?’
‘Alles goed!’
Vaker zie ik hem op tv. Verder lees ik zijn artikelen in kranten en tijdschriften en (sommige van) zijn boeken. Verbaas me over zijn productie. Zijn stamina. Zijn belezenheid. Zijn bevlogenheid.

5. maart 2009
Uit het niets belt Joost me ineens op. Hij heeft me nodig, zegt hij.
Gimmick! is 20 jaar geleden uitgegeven. Dat moet gevierd worden, en weer met een feest in Paradiso. Joost is inmiddels echt een ster. Bands als Moke, Marike Jager en Johan doen mee. Joost Van Bellen draait, Mathijs Van Nieuwkerk presenteert en jij, zegt Joost tegen mij, jij moet er ook weer bij zijn natuurlijk.
‘Met, hoe heet die band van je nu ook weer, de Natte Honden? Precies. Moet je wel ‘Kutwijf’ spelen.’
Natuurlijk Joost.
En hoe is het verder met je, vraag ik, gewoon, zomaar, belangstellend. Joost steekt van wal. En verhaalt zonder gene, en ook bijna zonder pauze, van zijn hectische levensloop (depressie, stress, echtscheiding) van de laatste jaren. De geschiedenis eindigt in een caravan in Tuitjehorn -of Limmen, daar wil ik van afwezen. ‘Dus daar zit ik nu.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen, want zo goed kennen we elkaar niet. Dus ik zeg maar:
‘Jezus, Joost.’

6. 8 september 2015
Ik ben met stomheid geslagen. Joost? Of all people?

7. 11 september 2015
De Duif, Amsterdam. Cameraploegen zoomen in op het verdriet. Ik loop naar binnen en tik de kist waar Joost in ligt even aan. Ik kan zijn suïcide niet begrijpen en denk terug aan het manische telefoontje uit Tuitjehorn van een paar jaar geleden. De kerk is vol. Er staan foto’s van Joost opgesteld. Ik zie bekenden, maar ik loop liever weer naar buiten en haal daar opgelucht en verdrietig adem.

7. 13 april 2016
Op de begraafplaats waar mijn moeder kortgeleden begraven is, schijnt Joost ook te liggen. Ik weet het niet, ik was er niet bij, het was een besloten plechtigheid en ik was geen vriend van Joost. Hij schijnt begraven te liggen ‘in de buurt van Lucebert’. Ik loop naar het graf van de grote dichter. Ik ben hier nu toch, en ik ken deze begraafplaats als mijn broekzak, want mijn halve familie ligt hier begraven en als kind speelde ik verstoppertje tussen de zerken.
Maar hoe ik ook zoek, ik vind het graf van Joost niet. Ik spreek een man die op een grasmaaier zit aan. Hij zet zijn machine uit en stapt af.
‘Weet u waar Joost Zwagerman begraven ligt?’ vraag ik.
Ik verwacht dat hij gaat zeggen: ‘Joost Wie?’ maar in plaats daarvan zegt hij alsof hij die vraag elke dag krijgt: ‘dat zal ik u laten zien’.

We stappen voort over het grind tot ik opnieuw in de buurt van het graf van Lucebert sta.
‘Waar dan?’ zeg ik.
De man van de begraafplaats wijst.
Hoe heb ik hier over heen gekeken? Op nog geen vijf passen van het graf van Lucebert ligt een verse rechthoek vol wit grind en bloemen. Er op staat een stenen pilaartje met een beeld van een zittend figuurtje erop. Het ziet er zo aandoenlijk uit, dat ik het wel heb gezien toen ik er langs liep, maar onbewust moet hebben gedacht: ‘nee, dat kan het graf van Joost niet zijn’.
‘U bent niet de enige hoor,’ zegt de man van de begraafplaats.
En hij vertelt me dat hij de afgelopen maanden al minstens honderdvijftig mensen naar het graf van Joost heeft verwezen.
‘Soms wel vier op een dag.’
‘Allemaal mensen die hij op een of andere manier toch heeft aangeraakt,’ zeg ik, en realiseer me later terwijl ik de lange statige oprijlaan van de begraafplaats Bergen terug afloop, dat dat ook voor mij geldt.

NB: Silence out loud, de –fraaie- door Joost samengestelde tentoonstelling in Museum Kranenburg is nog te zien tot 12 juni 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik leerde Joost Zwagerman een beetje kennen toen ik samen met Jan K, Marisa G en Hans K de redactie vormde van  literair tijdschrift Adem (we hebben het over midden jaren tachtig). Jan K had mij er bij gevraagd om de boel een beetje op te ‘spicen’ en om de concurrentie met het in hoofdstedelijke literaire beginnerskringen zeer belangrijk gevonden blad De Held aan te gaan, dus al snel verschenen er nummers als ‘Sex & Literatuur’, ‘Rock & Roll & Literatuur’ en ‘En Garde!’.  Door kennis aan bevriende vormgevers en idealistische drukkers schitterend vormgegeven nummers vol Sturm und Drang, en natuurlijk seks, drugs en rock-‘n-roll en oja, verhalen en gedichten. Mooie tijden. Maar waar was ik -oja, Joost.

 

 

 

Nirvana

Ik was op weg naar de Bagels & Beans in de Oostpoort in Amsterdam, het nieuwe winkelcentrum achter de Middenweg dat door nuffige Watergraafsmeerders graag als ‘Almere-achtig’ wordt betiteld. Zelf ben ik ook niet perse verrukt over een zoveelste Cool Cat, of H & M, maar er zitten genoeg zaken waar ik wel graag kom, en muzikanten-centrum Q-Factory is onderhand mijn tweede huis.

Maar waar was ik? Oja: op weg naar de Bagels & Beans voor een kopje koffie.
Niet dat ik nou zo’n fan ben van hippe broodjeszaken waar blozende jongens en meisjes onder het genot van koffie verkeerd met sojamelk op hun laptops zitten te weet-ik-velen met weet-ik-wie, maar ik was op een missie.

De Bagels & Beans ligt aan de Oranje Vrijstaatkade, een straatnaam die optimisme lijkt uit te stralen, maar natuurlijk wel refereert aan een van de minder fraaie bladzijden van onze vaderlandse geschiedenis. Nee, dan de overige straten in Oostpoort: die heten Utopia, Nirwana en Eldorado en het lijkt als je er rondstapt soms inderdaad wel allemaal goud wat er blinkt, ook al blijft het moeilijk om een winkel als de Action te rijmen met de Waldenlaan, want was ‘Walden’ niet die bosrijke plek waar de Amerikaanse schrijver Thoreau juist een poging deed om een tijdlang eenvoudig te leven zonder allerlei overbodige moderne troep?
Maar goed, waar was ik?

Oja: op de drempel van de Bagels & Beans.
Ik sneakte naar binnen en ging in een verdekt hoekje bij de deur zitten, vanwaar ik de zaak goed kon bekijken. In de keuken heerste de rustige bedrijvigheid die een goede zaak kenmerkt. Wel druk, geen stress. Er liep een struise Surinaamse rond, een kleinere dame in wie ik de bedrijfsleider vermoedde en verder stond er een blonde slungel van een jaar of achttien met zijn rug naar me uiterst geconcentreerd bagles te bakken, smeren en beleggen. Ik bestelde een cappuccino -en toen die arriveerde (met een lief hartje van melkschuim) ook maar meteen een bagel met geitenkaas en rucola. Ik ontspande, en genoot van de koffie. Ik was hier nu toch.

De serveerster die mijn bestelling had opgenomen was nu terug in de keuken en vertelde de blonde bagelbakker voor wie de volgende bagel bestemd was. Ze wees. De jongen keek mijn richting uit en knikte. Je zag hem denken: ‘bagel geitenkaas voor ouwe kale bij het raam’. Verder geen spoor van herkenning op zijn gezicht -zo geconcentreerd was hij. Ik voelde een lichte tinteling rond mijn hart.
Het gedicht Nirvana van Charles Bukowski schoot me te binnen. Daarin ontdekt een jongeman in een eenvoudige Amerikaanse ‘diner’ het geluk, gewoon door te blijven zitten op één plek en te kijken naar de natte sneeuw die buiten langs de ramen wervelt terwijl een serveerster binnen de ‘refills’ uitschenkt.

De jonge bagelbakker veegde nu zijn handen af aan zijn schort, pakte een bord met een bagel erop in zijn handen en liep ermee de zaak in. Uitserveren hoorde kennelijk ook bij zijn taak, want hij schuifelde op mij af, zijn ogen scherp gericht op het bord. Dit mocht niet misgaan.
Ik dacht aan het bijbaantje dat ik als jongen had gehad in het groentevak van de supermarkt in mijn geboortedorp. En hoe vreemd en tof het dan was als ik mijn vader of moeder op zaterdag opeens ontwaarde tussen de winkelende mensen.

Toen hij vlak bij mijn tafel was keek mijn zoon pas op.
‘Hè?! Hoe lang ben jij al hier?’
‘Minuutje of tien. Ik heb zitten kijken hoe je werkt.’
‘Tsss.’
Mijn zoon lachte, blij met mijn onverwachte komst. En ik lachte ook.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ik.
‘Prima,’ antwoordde hij.
‘Goed zo jongen. Ik ben trots op je.’

NB: Deze column werd eerder deze week gepubliceerd in buurtkrant Dwars

BarcaMelle&Jaapbeker

Sterkte Nico

nico

Lieve mensen.
Ik ben in de war.

Ik heb zojuist een column van Nico Dijkshoorn op de site van De Volkskrant gelezen waarin hij David Bowie afserveert en vergelijkt met…Gordon en Danny de Munck?
Ik greep verbijsterd naar mijn hoofd. Ik las de column nog een keer. Het staat er echt:
“Voor mij is dat een klap. David Bowie bewaarde, toen ik 13 jaar oud was, zijn haarverf, om die later aan ons te tonen. Dat is zo… dat is zo vreselijk… Gordon.”

Dit soort dingen schrijft Nico opeens.
Ook zet hij de video’s van Bowie weg als ‘niveautje Nederlandse speelfilm’. Het is alsof Jesse Klaver ineens Syrische vluchtelingen betitelt als ‘profiteurs’ en ‘terroristen’.

Dus ik ben erg in de war.

Is dit diezelfde Nico die met tranen in zijn ogen bij DWDD verklaarde dat hij ‘Where Are We Now’ de mooiste comeback ever vond? Is dit mijn favoriete columnist, om wiens stukjes ik regelmatig zo moet lachen dat ik vaak proestend de ontbijttafel moet verlaten omdat ik me weer eens verslikt heb in mijn koffie? Is dit de grote Nico Dijkshoorn die in datzelfde DWDD, met een biertje en een vulpen en een blocnote voor zich -leesbrilletje op, leesbrilletje af, strijkend door zijn haar, peinzend, zorgvuldig proef zuigend aan de beste woorden- elke keer in no time weer een fantastisch gedicht van de week bakt, waarvan ik dan heel hard moet janken?
Of dat ik opspring en door de kamer ren, terwijl ik schreeuw: “Spijker op de kop Nico, spijker op de kop!”?
Is dit die Nico die ik in het theater zag, waar hij met een grote grijns op zijn kop de meest onbenullige voorvallen tot hilarische voorstellingen uitbouwde? De Nico Dijkshoorn van prachtboeken als ‘Nooit Ziek Geweest’ en ‘De tranen van Kuif Den Dolder’? De Nico tenslotte, die op Twitter ook altijd zo mooi, leuk  verrassend en oneindig grappig en intelligent uit de hoek komt, die Nico die ook nog eens heel mooi gitaar kan spelen?

Echt? Kanniewaar zijn.

Maar het is wel waar. Nico, die vast wel eens een boek gelezen heeft -het mag proza zijn, het mag poëzie zijn- was van jongs af aan Bowie-fan en schrijft dan doodleuk: ‘Nog steeds begrijp ik niets of bijna niets van wat Bowie zingt’. Dat is de boerenkoolkritiek van een domme Amsterdamse taxichauffeur zonder kunstgebit die op zijn telefoon naar een abstract schilderij van  Rothko kijkt en dan slissend zegt: ‘Apenkool. Kan mijn neefie van vijf ook.’

Die teksten van Bowie zijn niet zo moeilijk te begrijpen natuurlijk, en dat weet Nico ook. Iedereen die met de platen en tekstvellen van Bowie op de rand van zijn bed heeft gezeten -en Nico heeft dat gedaan- die snapt waar Rock-‘n-roll-Suicide, Heroes, Boys Keep Swinging en Ashes To Ashes over gaan. Je hoeft echt geen genie te zijn om de existentiële eenzaamheid te horen in ‘Space Oddity’.

Als Nico over de regels ‘The return of the thin white duke, throwing darts in lovers’ eyes’ schrijft: ‘Geweldige zin, veel meegezongen maar ik begrijp er nog steeds niets van’ raak ik enorm in de war.
Dan zie ik die superintelligente knuffelbeer met zijn leuke vleespetje op voor me, en dan denk ik aan alles wat hij heeft gezegd en geschreven en gezongen en dan kan ik dat dus niet rijmen. Dat Nico dan schrijft: ‘En ik wil het niet begrijpen. Zo ben ik een leven lang naar Bowie blijven luisteren, zelfs in de jaren negentig.’

En dat hij uiteindelijk dan het licht uitdoet met de zin: ‘Ik had van Bowie een totaal onbegrijpelijk afscheid verwacht. Een mysterie. De waarheid is dat hij aan het eind van zijn leven, op de valreep, is veranderd in Danny de Munk.’

Dat is…zo… Halbe Zijlstra.

Dus ik ben in de war, maar nu ik er even over heb nagedacht snap ik Nico opeens.
En U begrijpt het ook. Nico is boos. Nico is verdrietig. Dus gaat hij wild om zich heen slaan.
Nico kan het niet uitstaan dat ‘zijn’ Bowie gewoon dood is gegaan. Net als iedereen ooit dood moet gaan. Dat zijn grote held niet oploste in een rook van videomist en flitsend werd weggehaald door een groen ruimteschip vol roze alligator-mannetjes. En dat die gewone sterfelijke Bowie, net als zoveel mensen die hem zijn voorgegaan, vlak voor zijn dood dacht: ‘Al die spulletjes, wat doe ik daar eigenlijk mee? Dat mooie pak van Yamamoto bijvoorbeeld? Weggooien is ook weer zo wat.’

We snappen het opeens:  Niet de grote Nico Dijkshoorn heeft deze column geschreven. Maar die kleine, dertienjarige Nico die in zijn slaapkamer zat mee te freaken op een ‘moonage daydream o yeah.’ Die kleine Nico is ontroostbaar. Hij huilt en huilt want zijn grote vriend is dood. Maar dat kan de Nico van nu natuurlijk niet opschrijven want dan zeggen zijn vrienden van vroeger ‘gaan we huilie huilie doen?’.

Dus doet hij het zo. Met zijn eerste rot-column in jaren. Maar U en ik weten hoe het zit. En als we Nico op straat tegenkomen dan geven we hem een knuffel en dan leggen we een arm om hem heen en dan zeggen we dat we het snappen en dat het niet erg is. Dat wij ook verdrietig zijn dat David Bowie er niet meer is. En dan kan Nico zeggen: ‘sodemieter op’ maar ook dat begrijpen we.
En we roepen hem na, terwijl hij mokkend verder wandelt met zijn boodschappentas vol gewone-mensen-boodschappen zoals aardappels, bier, worst en zuurkool: ‘Sterkte Nico!’

PS: Voor alle andere mensen die nog een beetje verdrietig zijn dit weekend (26-2 en 27-2)  twee David Bowie Tributes, een in Victorie Alkmaar en een in  Metropool Hengelo. En als dat te ver is kun je vrijdag ook naar Café Miles in Amersfoort.

bidden voor wij nu voor long tall sally

o sally
met je lange haar tot op je rug
ik ging voor jou en nu wil ik even terug
langs leven’s op- en afrijlaan
waar de beeldschonen staan
suzi debbie patti chrissie nancy stevie cherie
& natuurlijk jane mon non plus
hun marmeren schoonheid in zwart leer gehuld

vanwege de toenemende zedenverwildering
en met het oog op de internationale betrekkingen
wil de minister graag hun schaamteloosheid bedekken
met een grote doek voor hun mogelijk onrein bloeden
de bezoekende mohammedaan in kwestie
mocht zich eens gekwetst voelen
& deze vrije vrouwen zouden wel eens
een vinger naar hem kunnen opsteken
een slecht signaal handel blijft tenslotte handel

ja het kort geopende dakvenster
waardoor in de 60 & 70-ies een libertijns bevrijdende bries
miljoenen bedompte zolderkamers binnen waaide
wordt op last van autoriteiten en
nieuwe preutse priesters binnenkort vast gesloten

maar ik herinner mij jou sally
en zal je hotpants nooit vergeten
ook al bleek je later middel of de rood
vrijheid! zong je vrijheid!
als een gillende blonde zomerzon
wit licht witte hitte soley soley

de halo van je seks appel was
een oplichtende ufo in de donkere jaren van mijn jeugd
just a little bit lonely
waarvoor 1000 maal dank sally
slaat op de rotsen het water springt
jij was een uit ruwe steen gehakt
ideaal het begin van een idee
een eenvoudig klein wit bouwsel opgetrokken
in mijn brein een ander kerkje waar ik mijzelf kon zijn

binnen kniel ik nog wekelijks
voor het gitaarvormig altaar en prevel mijn gebeden
en vraag
preker penniman
lieve elvis
en dominee groen
alstublieft heren

zegen sally

Fado

fado

luister naar wat ik zing:

er is altijd iets

het vuur gaat uit
de hond loopt weg
de boom waait om
het geld raakt op

een wolk schuift voor de zon
en de maan verdwijnt in een mist van stomme woorden
vader drinkt teveel
de een gaat met een ander
en dan gaat er ook nog iemand dood
meestal een kind

we hebben elkaar lief aan de rand van het meer
in een bootje tussen het riet
maar in de verte rommelt reeds het onweer

wijze mannen en vrouwen blijven maar ontdekken:
alles beweegt
&
niets = eeuwig

over elk geluk valt vroeg of laat een schaduw

waarom precies
daar zijn ze nog niet uit