In de taxi met John Engels (80)

johnengelstaxi1Afgelopen week woensdag 13 mei werd levende Nederlandse jazzlegende John Engels 80 jaar. De verjaardag van de onvermoeibare meesterdrummer (die speelde met zo’n beetje iedereen die er toe doet en deed in de Nederlandse jazz en ver daarbuiten) werd groots gevierd met de Vogel Vrij Tour waarin de drummer optrad met diverse bands, waaronder het Barnicle Bill Trio, zijn eigen
John Engels Kwintet en het legendarische Louis Van Dijk Trio. Op zijn verjaardag speelde John in het Bimhuis met diverse extra gasten waaronder Jacques Schols, Benjamin Herman, Bart Van Lier, Ruud Breuls, Ruud Ouwehand, Rob Van Bavel en vocalisten Fay Claassen en Masha Bijlmsa. Zelfs John’s vrouw Liz deed een duit in het zakje met een ontroerende vertolking van Nature Boy. Je kunt dit alles terugluisteren op de geniale radio service van Bimhuis Radio als je wilt, klik daarvoor hier. Ik deed toevallig als invaller die avond de presentatie, en het was een gezellige en bij vlagen geniale chaos. Vooraf mocht ik het genoegen smaken om met John en Liz in de taxi naar het Bimhuis te rijden. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om John in de auto te interviewen -dit moest, omdat Bimhuis Radio de Engelse taal als voertaal gebruikt in…juist, het Engels. En het leverde een kort maar in mijn ogen leuk en ontroerend audio-portretje op van John.

Als je nog meer wilt zien, lezen, horen, voelen, proeven en ruiken, check de biografie ‘Hé vogel wanneer spelen we weer?’ van Jeroen De Valk of duik in John via de YouTube -en vergeet vooral zijn werk met Boy Edgar’s Big band niet (recentelijk uitgebracht door het onvolprezen Jazz Archief). Als je nog meer tijd heb luister dan vooral naar de legendarische Nederlands bop-band The Diamond Five waarin John van eind jaren vijftig tot media jaren zestig mee schitterde. En als iemand nog een exemplaar op vinyl heeft van ‘Brilliant’ van deze band mag-iemij benaderen :-).
briljant

Advertenties

Rock-‘n-roll met Robbie Williams

Robbie Williams staat weer op Pinkpop. Zaterdag 13 juni -op de Mainstage nog wel. Alsof het niks kost. Hij stond er eerder, in 1999. En toen probeerde ik hem te interviewen. Daarover gaat dit verhaal.

header_robbie-williams

Was Robbie Williams een held voor mij dan, in 1999?
Nou, niet echt.
Robbie Williams vond ik vooral een rukker.
Robbie had namelijk ooit in een boyband gezeten, en boybands waren ruk.
Alles wat mooi en spannend aan popmuziek was werd door boybands kapot gemaakt. En soms ook door girlbands, zoals The Spice Girls. Zo dacht ik er over.
Boybands.
Gatver.
Dat ging toch helemaal nergens over?
Zielloze popmuzak was het, bedacht door doortrapte svengalis die goed ogende maar talentloze sukkels gebruikten om hun perverse waar met leuke dansjes en roze ingekleurde videoclips aan kritiekloze kinderen te slijten. En Robbie had in Take That gezeten. Dus die deugde niet. Hij was een straatschoffie met een grote bek dat eigenlijk niet kon zingen maar het toevallig toch tot popster had geschopt doordat een gewiekste producer hem op het schild had gehesen. Maar Robbie wilde meer dan een boyband. Hij wilde het hipper en wilder. Hij wilde van de hip en de hop en van de rock en van de roll.
Dus begon hij na de nodige door alcohol en cocaïne aangevuurde conflicten een solocarrière. Robbie wilde meedoen met de echte rock-‘n-rollers. Dus verzamelde hij aan het eind van de jaren negentig een band om zich heen, bracht soloplaten uit, gaf gevatte interviews en schopte het tot Pinkpop.

En hij was dan wel geen held van mij, maar wel een held voor velen en het behoorde tot mijn taak als serieus popcriticus annex VPRO-radiopresentator om dit getatoeëerde fenomeen voor de kritische luisteraar ‘in kaart te brengen’. Vandaar dat ik met strak doortimmerd plan het Pinkpop-terrein opstapte die dag in mei: wat er ook ging gebeuren, ik moest en zou Robbie Williams interviewen. Er was alleen een klein probleem: Robbie Williams zou geen interviews doen. Niet één. En dat wist ik. Het was me door de platenmaatschappijen te verstaan gegeven en ik wist het van Mister Pinkpop Jan Smeets, die ik persoonlijk had gevraagd of hij me niet even bij de nieuwbakken rockster wilde introduceren.
“Dat zal niet gaan Jaap mijn jongen.”

Toch liep ik als een dartel veulen achter Robbie en zijn entourage aan, en schoot hem aan op momenten dat hij vrij leek. Dan wees ik op mijn imposante DAT-recorder en vroeg ik hem, al mijn charme in de strijd werpend: “Hee Robbie… psst! Interviewtje doen? 5 minuten maar! Het gaat over rock-‘n-roll enzo, daar kan jij toch wel even over-“
Als antwoord glimlachte Robbie dan naar me. Dat kon hij heel goed, glimlachen.
Ik begreep ineens waarom al die miljoenen tienermeisjes als een blok voor deze boy gevallen waren. Met die mooie slaapkamerogen van hem. Die uitermate helder stonden voor een popster om elf uur ’s ochtends trouwens. Zelfs toen ik het hem voor een derde keer vroeg, zei hij, geduldig en beleefd: “No man, thanks, we don’t do any interviews today. No, not even for five minutes.”
En dan schoot zijn gespierde manager weer uit het Pinkpop-struikgewas tevoorschijn om me bij zijn cliënt weg te trekken. Maar omdat Robbie zo aardig bleef, en ik zo eigenwijs was, wilde ik nog een laatste poging wagen.

Het was uren later, aan het eind van de middag, toen ik Robbie weer zag zitten. Alleen. Hij zat op een houten klapstoeltje voor de portacabins een soeste een beetje voor zich uit in het zonnetje. Zijn show zou pas over een uur beginnen. Een buitenkansje. Ik naderde de ex-boyband coryfee omzichtig -als een natuurfotograaf die zijn kans op de knalgele rarekiet niet wilde verknallen.
Quasi-nochalant schoof ik langs Groette. Robbie groette lichtelijk vermoeid terug.
“Looking forward to the show?” vroeg ik.
Robbie rekte zich uit en gaapte.
“Yeah man. It’s gonna be exciting.”
Ik zag Robbie’s indrukwekkende biceps, en zijn tatoeages. Nee, die was allang geen boy meer.
“Nice weather,” zei ik, en plofte neer naast Robbie in het gras.
En voor ik het wist zat deze jongen een beetje koetjes en kalfjes te kleppen met Robbie fucking Williams. Best wel rock-‘n-roll eigenlijk. En net toen ik er over dacht om het nog rock-‘n-roller te maken, ‘straffeloos onvoorzichtig’ te wezen zeg maar, en Robbie voor te stellen om al die leuke dingen even in mijn DAT-recorder te laten boeren zodat we alsnog dat hele goeie sensationele diepte-interview tevoorschijn toveren verscheen Robbie’s manager weer ten tonele.
Briesend beende hij op me af.
“Oops,” zei Robbie.
Ik stond haastig op.
“HEY! YOU!” begon de manager.
Ik bleef staan als een betrapte fietsendief. Robbie zei niks. De manager pakt me bij mijn revers.
“I TOLD YOU A FUCKING THOUSAND TIMES! NO INTERVIEWS! What part of NO INTERVIEWS don’t you understand?“
“Eh…” zei ik.
Robbie grinnikte een beetje schaapachtig en hief zijn handen ten hemel alsof hij zeggen wilde: “Hee man, sorry, ik zou wel willen, maar ja, die vervelende managers hè.”
De manager pakte me bij mijn schouder en voerde me flux bij Robbie vandaan.
Zijn schoudergreep was echter geen gemene, maar een stevige, bijna vaderlijke greep. Toen we buiten gehoorsafstand van Robbie Williams waren zei hij zachtjes:
“Hey. Laten we er nu mee ophouden, OK? Geen spelletjes meer. Ik doe ook maar mijn werk. We hebben nu eenmaal afgesproken: geen interviews vandaag. Are we OK on this?”
“OK.”
“Fine.”
En toen gaf hij me een hand -waarin een visitekaartje. Hij draaide zich om en liep terug naar de artiestenzone, waar Robbie inmiddels in een portacabin was verdwenen.
Ik besloot het op te geven, en het misschien over een paar weken nog eens te proberen, telefonisch ofzo. Want nu had ik per slot van rekening mooi wel het visitekaartje van de manager van Robbie fucking Williams!
Ik bekeek het kaartje nog eens. Het was wit. Op de voorkant stond: Born To Be Mild.
What the…?
Ik draaide het kaartje om. Daar stond stond:

This is to certify that I really met Robbie Williams.

 En dat vond ik toch wel erg rock-’n-roll. Of in ieder geval… erg entertaining.